Labels in de supermarkt: Biologisch

Hoeveel verschillende labels tel jij?

Steeds meer producten in de supermarkt hebben een ‘biologisch’, fairtrade of ander logo op de verpakking. Maar wat betekenen deze logo’s van keurmerken en labels en waarom zijn sommige van deze producten duurder dan ‘normale’ producten? In deze eerst blogpost leggen we uit wat de twee meest voorkomende labels voor biologisch betekenen.

De grootste categorie die naast het reguliere aanbod in vrijwel alle supermarkten te vinden is, zijn de biologische producten. Maar als je goed oplet in de supermarkt, merk je al snel dat er wel erg veel verschillende labels bestaan die vermoedelijk iets over ‘biologisch’ of ’ecologisch’ zeggen. Deze website van EOS Wetenschap geeft een mooi overzicht van alle labels die je tegen kan komen tijdens je dagelijkse boodschappen. Voor de sectie ‘voeding’ hebben ze alleen al 40(!) labels geïdentificeerd. Wij zijn er inmiddels al een paar in de supermarkt tegengekomen die niet op de site staan… Sommige labels kun je op praktisch alle producten tegenkomen, andere alleen op zuivel of andere categorieën. Maar het is natuurlijk ondoenlijk om van elk label te weten waar ze voor staan en of je, als je een product hebt gekozen met een specifiek label, met je keuze dan ook echt iets bijdraagt aan het milieu.

De meest bekende labels zijn waarschijnlijk deze:

Het eerste logo is het EU biologisch label. Dit label is verplicht op alle biologische voedingsproducten. De producten moeten voor de volle 100 procent biologisch zijn, tenzij het om verwerkte producten gaat: dan moet minimaal 95 procent van de ingrediënten afkomstig zijn uit de biologische landbouw. Dit houdt in dat er geen kunstmatige meststoffen en chemische pesticiden gebruikt worden. Ondanks dat een aantal additieven wel gebruikt mogen worden is dit EU Biolabel dus een inhoudelijk duidelijk label. De controles worden minstens jaarlijks uitgevoerd door onafhankelijke keuringsorganisaties over de hele keten, dus boer, verwerker, handelaar, importeur en exporteur en bijvoorbeeld uitgevoerd door Skal.

Het tweede logo is van het EKO-keurmerk. Dit label heeft veel overlap met het EU Biolabel, daar waar deze stopt bij het milieuvriendelijk werken en dierenwelzijn gaat het EKO keurmerk verder volgens de IFOAM-principes. Het geeft aandacht aan duurzaamheid op gebied van energieverbruik, eerlijk zaken doen en de manier van verpakken. Om een EKO keurmerk te dragen moet het product dus minstens gecertificeerd zijn volgens het EU Biolabel, moet het een eigen bedrijfsverhaal hebben dat terug te vinden is op de EKO website waarin extra (niet verplichte) maatregelen worden benoemd tbv duurzaamheid volgens de IFOAM principes en met de plannen tot verdere verbetering voor de komende drie jaar. Jaarlijks wordt de realisatie van deze ambities getoetst, door wie is ons niet duidelijk.

Het EKO keurmerk is dus een veel breder keurmerk dan het EU Biolabel, waarbij zaken als energie en de verpakking ook mee worden genomen in de keuring. Een product kan wel enkel het EU Biolabel bevatten, maar niet alleen het EKO keurmerk – deze wordt altijd vergezeld door het EU Biolabel. Je kunt het EKO keurmerk zien als een teken dat het product extra duurzaam is.

Waarom biologische producten duurder zijn dan ‘gewone’ producten is eigenlijk vrij voor de hand liggend. Het kost meer tijd en energie om dezelfde hoeveelheid aan producten klaar voor de verkoop te krijgen als men de regels van de biologische keurmerken moet volgen. Biologische producten krijgen de tijd om langzaam te groeien, bijkomend voordeel: deze producten krijgen dus ook de tijd om smaak te ontwikkelen.

Daarnaast zijn deze producten allemaal wat gevoeliger voor misoogsten of ziekten omdat er geen of minder chemische bestrijdingsmiddelen en onnatuurlijke oplossingen mogen worden gebruikt om de oogst toch te redden. Bij dieren is het zaak dat de boer er zo min mogelijk kunstmatige antibiotica en andere medicijnen in steekt om zijn dieren gezond te houden. Daarnaast krijgen ze onder andere ook meer ruimte waardoor de boer meer ruimte nodig heeft voor dezelfde hoeveelheid dieren als een ‘normale’ boer die dus allemaal langer mogen leven of hij produceert minder vlees.